Vastgoedwoordenboek: Financieel

Hieronder vindt u het vastgoedwoordenboek "Financieel".

Aflossingsvrij
Bij een aflossingsvrije lening betaalt u alleen rente over de hoofdsom. De hoofdsom zelf wordt niet periodiek afgelost en blijft daarmee gedurende de looptijd gelijk. Aflossing vindt doorgaans plaats bij verkoop van het vastgoed of aan het einde van de looptijd.

Afschrijven
Bij het bepalen van de winst houdt u rekening met de aanschafkosten van bedrijfsmiddelen door deze te verdelen over de jaren waarin het bedrijfsmiddel wordt gebruikt. In elk jaar kunt u een deel van de kosten ten laste brengen van de opbrengsten. Voor commercieel vastgoed geldt dat afschrijving fiscaal is beperkt tot maximaal de bodemwaarde van het pand (doorgaans de WOZ-waarde).

Annuïteitenhypotheek
Een annuïteitenhypotheek is een hypotheekvorm waarbij de periodieke betaling (rente plus aflossing) gedurende de gehele looptijd gelijk blijft. In de beginjaren bestaat de betaling voornamelijk uit rente; naarmate de lening vordert, verschuift dit naar een groter aandeel aflossing. Aan het einde van de looptijd is de lening volledig afgelost.

Bankgarantie
Een bankgarantie is een onherroepelijke betalingsbelofte van een bank aan de begunstigde (doorgaans de verhuurder), tot een vooraf bepaald bedrag. De bank keert dit bedrag op eerste verzoek uit, zonder tussenkomst van de huurder. Een bankgarantie is een gangbaar alternatief voor een waarborgsom in commerciële huurovereenkomsten.

Bedrijfspandhypotheek
Een hypothecaire lening waarbij een bedrijfspand of bedrijfsruimte als onderpand dient. De voorwaarden en rente wijken doorgaans af van die voor particuliere hypotheken.

Bedrijfsschadeverzekering
Een bedrijfsschadeverzekering (ook wel bedrijfsonderbrekingsverzekering) dekt de financiële gevolgen van omzetderving als gevolg van een gedwongen bedrijfsstilstand, bijvoorbeeld door brand, waterschade of een andere calamiteit. Het is een aparte polis van de opstalverzekering, al worden beide vaak gecombineerd afgesloten.

Bedrijfsverzekering
Een verzameling van verzekeringen die een ondernemer kan afsluiten ter bescherming van zijn bedrijf. Relevante verzekeringen voor vastgoedeigenaren en huurders van kantoorruimte zijn onder meer de opstalverzekering, inventarisverzekering, bedrijfsschadeverzekering en aansprakelijkheidsverzekering.

Bedrijven Investeringszone (BIZ)
Een BIZ maakt het mogelijk voor ondernemers om gezamenlijk te investeren in de kwaliteit van hun bedrijfsomgeving. Een BIZ is een afgebakend gebied, zoals een winkelgebied of bedrijventerrein. De gemeente stelt een heffing in voor alle ondernemers in het gebied en keert de opbrengst uit aan de vereniging of stichting die de activiteiten uitvoert. De activiteiten van een BIZ zijn aanvullend op die van de gemeente.

Beleggingshypotheek
Een beleggingshypotheek is een hypotheekvorm waarbij de aflossing niet periodiek plaatsvindt, maar wordt opgebouwd via een gekoppeld beleggingsproduct. Het beleggingsresultaat is onzeker, waardoor dit type hypotheek meer risico met zich meebrengt dan een annuïteits- of lineaire hypotheek.

Besloten vennootschap (bv)
Een bv is een rechtspersoon waarbij het kapitaal is verdeeld in aandelen die niet vrij overdraagbaar zijn. De bv heeft dezelfde juridische status als een natuurlijk persoon: ze kan contracten sluiten, eigenaar zijn van vastgoed en aansprakelijk zijn voor schulden. De directeur handelt namens de vennootschap en is in dienst van de bv.

BKR
Het Bureau Krediet Registratie (BKR) registreert kredieten en betalingsachterstanden van consumenten. Financiële instellingen raadplegen het BKR bij het beoordelen van kredietaanvragen om overkreditering en problematische schuldsituaties te voorkomen.

Boeterente
Boeterente is een vergoeding die een hypotheekverstrekker in rekening brengt wanneer een lening tussentijds wordt afgelost of overgesloten, terwijl de contractuele rentevastperiode nog niet is verstreken. De boete compenseert de geldverstrekker voor de misgelopen renteopbrengst.

Borgstelling
Een borgstelling is een overeenkomst waarbij een derde partij (de borg) zich verplicht de schuld van een debiteur te voldoen, indien die debiteur zijn betalingsverplichtingen niet nakomt.

Bruto aanvangsrendement (BAR) - Belegging
De jaarhuur van het eerste jaar na aankoop, gedeeld door de totale fondsinvestering (koopsom plus kosten koper plus overige kosten) minus een eventuele liquiditeitsreserve.

Bruto aanvangsrendement (BAR) - Vastgoed
De jaarhuur van het eerste jaar na aankoop, gedeeld door de koopsom inclusief kosten koper. Het BAR is een veelgebruikte maatstaf voor het vergelijken van de initiële rendementen van vastgoedbeleggingen.

BTW op vastgoed
Verhuur van onroerend goed is in principe vrijgesteld van BTW. Verhuurder en huurder kunnen er echter gezamenlijk voor kiezen om de verhuur belast te laten plaatsvinden (optie voor belaste verhuur), mits de huurder het gehuurde voor minimaal 90% (of 70% in bepaalde gevallen) gebruikt voor BTW-belaste activiteiten. Belaste verhuur stelt de verhuurder in staat de BTW op investeringen en kosten terug te vorderen.

Buffer bij verkoop
Geprognosticeerde winst bovenop de terugbetaling van de inleg aan het einde van de looptijd, op basis van de prognose van de aanbieder. De buffer bij verkoop wordt uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen.

Buffer bij verkoop uit aflossing
Het deel van de verkoopwinst dat voortkomt uit tussentijdse aflossingen op de hypothecaire lening gedurende de looptijd.

Buffer bij verkoop uit waardestijging
Het deel van de verkoopwinst dat voortkomt uit de geprognosticeerde waardestijging van het vastgoed gedurende de looptijd.

Commanditaire Vennootschap (CV)
Een samenwerkingsverband tussen commanditaire vennoten (stille beleggers) en een beherend vennoot (doorgaans de aanbieder). Er wordt voor gezamenlijke rekening en risico belegd in commercieel vastgoed. De commanditaire vennoten zijn uitsluitend aansprakelijk tot het bedrag van hun inbreng.

Dekkingswaarde
De waarde die kan worden toegekend aan het door een belegger ingebrachte vermogen of onderpand als zekerheid voor een lening. Als de dekkingswaarde daalt onder het uitstaande leenbedrag, kan de geldverstrekker de belegger verzoeken aanvullend zekerheid te stellen of bij te storten.

Direct uitkeerbaar enkelvoudig rendement
De periodieke contante uitkering (veelal per kwartaal) uit de exploitatie van het vastgoed (huuropbrengsten minus kosten), na aflossing op de lening, zonder rekening te houden met de tijdswaarde van geld. Uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen.

Direct uitkeerbaar IRR-rendement
De periodieke contante uitkering uit de exploitatie van het vastgoed, na aflossing op de lening, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld. Uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen.

Economische huurwaarde
De huur die een vastgoedobject bij marktverhuur naar verwachting zou opbrengen, ongeacht de feitelijk overeengekomen huurprijs. De economische huurwaarde wordt bepaald door marktvraag en -aanbod, locatie en kwaliteit van het object.

Eigen vermogen
Het deel van de financiering dat door de belegger of eigenaar zelf wordt ingebracht, in tegenstelling tot vreemd vermogen (leningen). Bij vastgoedbeleggingen is de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen (leverage) bepalend voor het risicoprofiel en het te behalen rendement.

Emissiekosten
Kosten die worden gemaakt bij de uitgifte van nieuwe aandelen of participaties in een vastgoedfonds, zoals plaatsingskosten en advieskosten. Deze worden ten laste gebracht van het bedrijfsresultaat of de fondsinvestering.

Enkelvoudig rendement
Het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse uitkeringen en de slotuitkering bij verkoop, zonder rekening te houden met de tijdswaarde van geld. Het enkelvoudig rendement is hoger dan het IRR-rendement en minder geschikt voor vergelijking tussen beleggingen met verschillende looptijden.

Erfpacht
Erfpacht is een zakelijk recht dat de erfpachter het recht geeft om de onroerende zaak van een ander (de bloot eigenaar) te gebruiken en daarvan de vruchten te plukken, tegen betaling van een periodieke vergoeding (de canon). In tegenstelling tot reguliere pacht eindigt erfpacht niet bij overlijden van de eigenaar. In steden als Amsterdam is erfpacht op gemeentegrond wijdverbreid.

Euribor
De Euro Interbank Offered Rate (Euribor) is het rentetarief waartegen Europese banken onderling kortlopende leningen verstrekken. Bij vastgoedhypotheken wordt de rente soms gebaseerd op het Euribor-tarief (vaak één of drie maanden) plus een vaste opslag.

Executieveiling
Een executieveiling is een openbare veiling die volgt op een beslaglegging, doorgaans georganiseerd door een gerechtsdeurwaarder of de Belastingdienst. Het vastgoed wordt verkocht om de schuldeiser te voldoen.

Executiewaarde
De verwachte opbrengst van een vastgoedobject bij gedwongen verkoop, doorgaans lager dan de marktwaarde. De executiewaarde wordt vastgesteld door taxatie en is relevant voor geldverstrekkers bij het bepalen van de maximale lening.

Exploitatiekosten
Kosten die worden gemaakt voor het in stand houden en exploiteren van vastgoed, zoals onderhoud, verzekeringen, beheerkosten en kosten voor leegstand. Doorgaans uitgedrukt als percentage van de jaarhuur.

Financieringskosten
Kosten die verband houden met het aantrekken en beheren van vreemd vermogen, zoals rente, afsluitprovisie en notariskosten voor hypotheekvestiging.

Financieringsvoorbehoud
Een ontbindende voorwaarde in een koop- of huurovereenkomst die de koper of huurder het recht geeft de overeenkomst te ontbinden indien hij geen financiering kan verkrijgen, zonder boete of schadevergoeding verschuldigd te zijn. Het voorbehoud geldt doorgaans voor een bepaalde termijn na ondertekening.

Fondskosten
Kosten die door de aanbieder van een vastgoedfonds worden gemaakt bovenop de koopsom, zoals structureringskosten, plaatsingskosten, afsluitkosten van de financiering en selectie- en acquisitiekosten. Doorgaans uitgedrukt als percentage van de koopsom.

Franchise
Een franchise is een samenwerkingsvorm waarbij een ondernemer (franchisenemer) tegen betaling het recht verkrijgt om onder de handelsnaam en het bedrijfsconcept van een andere partij (franchisegever) een onderneming te exploiteren. In vastgoedcontext is franchise relevant bij de verhuur van winkelruimte aan franchiseformules.

Herbouwwaarde
De herbouwwaarde is het bedrag dat nodig is om een vastgoedobject bij totaal verlies opnieuw op te bouwen in dezelfde staat, op dezelfde locatie. De herbouwwaarde is de grondslag voor de opstalverzekering en wijkt doorgaans af van de marktwaarde.

Huurindexatie
De jaarlijkse aanpassing van de huurprijs op basis van een overeengekomen index, doorgaans het CBS-prijsindexcijfer voor gezinsconsumptie (CPI). Huurindexatie voorkomt dat de reële huurprijs door inflatie daalt. In huurovereenkomsten voor kantoorruimte is huurindexatie standaard opgenomen.

Huurkapitalisatie
De kapitalisatiefactor bij verkoop, exclusief kosten koper. Huurkapitalisatie geeft aan hoeveel maal de jaarhuur een koper bereid is te betalen voor een vastgoedobject.

Huurprijs
De prijs die een huurder betaalt voor het gebruik van een kantoorruimte of bedrijfspand, doorgaans uitgedrukt in euro per m² per jaar exclusief servicekosten en BTW. Voor kantoorruimte geldt het 230a-regime, dat beperkte huurbescherming biedt. Winkelruimte valt onder het strengere 290-regime met uitgebreidere huurbescherming.

Huurwaarde
De huur die een bedrijfspand bij verhuur op de vrije markt zou kunnen opbrengen, op basis van vergelijkbare objecten en actuele markttransacties. De huurwaarde wordt bepaald door vraag en aanbod, locatie en kwaliteit van het object, en niet door de WOZ-waarde.

Hypotheekbank
Een financiële instelling waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verstrekken van hypothecaire leningen, gefinancierd door de uitgifte van pandbrieven of andere schuldpapieren.

Hypotheekofferte
Een schriftelijk aanbod van een geldverstrekker voor een hypothecaire lening, met daarin de voorwaarden zoals het leenbedrag, de rente, de looptijd en het aflossingstype. Een hypotheekofferte heeft doorgaans een beperkte geldigheidsduur.

Indirect enkelvoudig rendement
De beschikbare winst bij verkoop van het vastgoed, inclusief de opbrengst uit aflossingen, zonder rekening te houden met de tijdswaarde van geld. Uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen.

Indirect IRR-rendement
De beschikbare winst bij verkoop van het vastgoed, inclusief de opbrengst uit aflossingen, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdswaarde van geld. Uitgedrukt als percentage van het eigen vermogen.

Inventarisverzekering
Een verzekering die schade aan de bedrijfsinventaris dekt, zoals meubilair, apparatuur en andere roerende zaken in een kantoor of bedrijfsruimte. Relevant voor zowel huurders als eigenaren van commercieel vastgoed.

Investeringsaftrek
Een fiscale faciliteit waardoor investeringen in bedrijfsmiddelen aanleiding kunnen zijn voor een verlaging van de belastbare winst. In Nederland onderscheid men de Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) en de Energie-investeringsaftrek (EIA), de laatste relevant bij investeringen in energiezuinig vastgoed.

Investeringsbank
Een bank die bedrijven en overheden helpt bij het aantrekken van kapitaal via de uitgifte van aandelen of obligaties op de kapitaalmarkten. Investeringsbanken spelen ook een rol bij de financiering van grote vastgoedtransacties en -ontwikkelingen.

IRR-rendement (Internal Rate of Return)
Een rendementsberekeningswijze waarbij rekening wordt gehouden met het tijdstip en de omvang van alle kasstromen (uitgaven en opbrengsten), inclusief fiscale effecten. Het IRR-rendement maakt het mogelijk beleggingen met verschillende looptijden en uitkeringspatronen objectief te vergelijken. Bij vastgoedbeleggingen is het IRR-rendement doorgaans lager dan het enkelvoudig rendement.

Kapitalisatiefactor
De koopsom gedeeld door de jaarhuur. Een hogere kapitalisatiefactor weerspiegelt een lagere risicoperceptie of een sterkere locatie. De kapitalisatiefactor exclusief kosten koper maakt de aankoopprijs vergelijkbaar met de verwachte verkoopopbrengst.

Leverage (hefboomwerking)
De verhouding tussen vreemd vermogen en de totale investering, uitgedrukt als percentage. Een hoge leverage vergroot zowel het potentiële rendement als het risico: bij waardestijging van het vastgoed profiteert de belegger relatief meer, maar bij waardedaling kunnen verliezen ook groter uitvallen.

Leveringsakte
De notariële akte waarmee de juridische eigendom van een vastgoedobject overgaat van verkoper op koper. Na inschrijving van de leveringsakte in het Kadaster is de overdracht officieel.

Lineaire hypotheek
Bij een lineaire hypotheek wordt de hoofdsom in gelijke periodieke termijnen afgelost. De rentelasten dalen daardoor gedurende de looptijd, omdat ze steeds over een lagere restschuld worden berekend. De totale maandlast is in het begin hoger dan bij een annuïteitenhypotheek, maar daalt gedurende de looptijd.

Liquiditeitsreserve / Werkkapitaal
Het deel van het eigen vermogen dat niet direct wordt ingezet voor de aankoop van het vastgoed, maar wordt aangehouden als buffer voor onvoorziene uitgaven zoals leegstand, groot onderhoud of renteschommelingen.

Maatschap
Een samenwerkingsverband waarbij de maten pro rata (naar rato van hun inbreng) participeren in de exploitatie van commercieel vastgoed. De maten zijn ieder voor hun eigen aandeel aansprakelijk, in tegenstelling tot een vof waarbij hoofdelijke aansprakelijkheid geldt.

Milieuschadeverzekering
Een verzekering die de financiële gevolgen dekt van milieuschade veroorzaakt door bedrijfsactiviteiten, zoals bodemverontreiniging of emissies. De premie is afhankelijk van de aard van de activiteiten, de hoeveelheid gevaarlijke stoffen en de wijze van opslag.

Nominale rente
De rente die een geldverstrekker op de offerte vermeldt, zonder rekening te houden met de frequentie van rentebetaling of bijkomende kosten. De nominale rente verschilt van het effectieve rentepercentage (EAR), dat alle kosten meeneemt.

Non recourse
Een financieringsstructuur waarbij de geldverstrekker bij wanbetaling uitsluitend verhaal kan nemen op het vastgoed als onderpand, en niet op het overige vermogen van de beleggers persoonlijk.

Onroerendezaakbelasting (OZB)
Een gemeentelijke belasting die wordt geheven van eigenaren en gebruikers van onroerende zaken in Nederland. De grondslag is de WOZ-waarde van het object. Voor niet-woningen (kantoren, winkels, bedrijfsruimten) betalen zowel eigenaar als gebruiker OZB.

Opstalverzekering
Een verzekering die schade aan het gebouw zelf dekt, zoals schade door brand, storm, water of vandalisme. De opstalverzekering wordt doorgaans afgesloten door de eigenaar van het vastgoed en is gebaseerd op de herbouwwaarde.

Opstartkosten
Kosten die worden gemaakt bij de oprichting of het opstarten van een vastgoedfonds of -structuur, zoals notariskosten, registratiekosten en advieskosten, exclusief de financieringskosten.

Overbruggingskrediet
Een kortlopende lening die wordt verstrekt om de periode te overbruggen tussen de aankoop van nieuw vastgoed en de verkoop van bestaand vastgoed. Over het overbruggingskrediet wordt alleen rente betaald; de hoofdsom wordt afgelost bij verkoop van het oude object. De rente is doorgaans hoger dan bij een reguliere hypotheek.

Overdrachtsbelasting
Een belasting die verschuldigd is bij de juridische of economische verkrijging van onroerende zaken in Nederland. Voor niet-woningen (waaronder kantoren en bedrijfsruimten) bedraagt de overdrachtsbelasting 10,4% van de koopsom (tarief 2024). Voor woningen gelden afwijkende tarieven.

Overwaarde
Het positieve verschil tussen de marktwaarde van een vastgoedobject en de resterende hypotheekschuld. Overwaarde kan worden benut als onderpand voor aanvullende financiering of komt vrij bij verkoop.

Performance fee
Een vergoeding die de aanbieder of beheerder van een vastgoedfonds ontvangt bij de verkoop van het vastgoed, berekend als een percentage van de gerealiseerde winst boven een vooraf afgesproken drempelrendement.

Rechtsbijstandverzekering
Een verzekering waarbij de verzekeraar de kosten voor juridische bijstand op zich neemt bij geschillen. Voor vastgoedeigenaren en huurders kan een rechtsbijstandverzekering relevant zijn bij bijvoorbeeld huurgeschillen, bouwconflicten of burenrecht.

Rekenrente
Een renteaanname die wordt gehanteerd in het prospectus van een vastgoedfonds voor de berekening van de geprognosticeerde rendementen gedurende (een deel van) de looptijd van de belegging.

Rendementsdrijvers
Factoren die het rendement van een vastgoedbelegging bepalen. De voornaamste rendementsdrijvers zijn: huurindexatie, hypotheekrente, leegstand, onderhoudskosten en het bruto aanvangsrendement (BAR) bij aan- en verkoop.

Rentabiliteit
De verhouding tussen het behaalde inkomen (winst) en het ingezette vermogen. De rentabiliteit is een maatstaf voor de efficiency waarmee het geïnvesteerde vermogen wordt ingezet en is relevant bij investeringsbeslissingen in vastgoed.

Rente cap en floor
Contractueel overeengekomen maximale (cap) en minimale (floor) rentetarieven waartussen een variabele rente zich mag bewegen gedurende een vooraf bepaalde looptijd. De combinatie van cap en floor wordt ook wel een collar genoemd.

Renteherziening
Het moment waarop de rentevastperiode van een lening afloopt en de geldverstrekker een nieuw renteaanbod doet voor de volgende periode. De nieuwe rente is afhankelijk van de dan geldende marktrente.

Rentmeester
Een rentmeester is een breed opgeleide vastgoeddeskundige die het beheer voert over onroerend goed namens een eigenaar. Dit kan zowel particulier als zakelijk vastgoed betreffen. De rentmeester adviseert ook over aan- en verkoop, pacht en erfpacht.

Restschuld
De restschuld is het bedrag van een hypothecaire lening dat na verkoop van het onderpand niet uit de verkoopopbrengst kan worden afgelost. Een restschuld ontstaat wanneer de verkoopprijs lager is dan de uitstaande hypotheekschuld.

Solvabiliteit
De mate waarin een onderneming of belegger in staat is om op lange termijn aan al zijn financiële verplichtingen te voldoen, ook bij tegenvallers. Een hogere solvabiliteit duidt op een gezondere financiële positie.

Totale fondsinvestering
De koopsom van het vastgoed inclusief alle bijkomende kosten, zoals overdrachtsbelasting, notariskosten, makelaarscourtage, fondskosten en financieringskosten.

Variabele rente
Een rente die periodiek wordt aangepast op basis van een referentierente (zoals Euribor) plus een vaste opslag. Een variabele rente biedt mogelijk voordeel bij dalende marktrentes, maar introduceert ook renterisico.

Vaste rente
Een rente die gedurende de gehele of een deel van de looptijd van een lening ongewijzigd blijft, ongeacht marktontwikkelingen. Een vaste rente biedt zekerheid over de financieringslasten.

Vreemd vermogen
Alle externe financiering die een onderneming of belegger aantrekt, zoals bancaire leningen, obligaties en leverancierskrediet. Vreemd vermogen moet worden terugbetaald en brengt rentelasten met zich mee. In tegenstelling tot eigen vermogen geeft vreemd vermogen de verstrekker geen eigendomsrecht.

Winstdeling
De verdeling van de gerealiseerde verkoopwinst tussen beleggers en aanbieder aan het einde van de looptijd. Doorgaans ontvangt de aanbieder een percentage van de winst boven een vooraf afgesproken drempelrendement (zie ook: performance fee).

WOZ-beschikking
Het besluit waarmee de gemeente jaarlijks de WOZ-waarde van een onroerende zaak vaststelt. De beschikking vermeldt de vastgestelde waarde, de waardepeildatum en het tijdvak waarvoor de waarde geldt. De WOZ-waarde is de grondslag voor onder meer de onroerendezaakbelasting (OZB) en de vennootschapsbelasting.

WOZ-waarde
De waarde van een onroerende zaak zoals vastgesteld door de gemeente op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De WOZ-waarde wordt jaarlijks bepaald op een vaste peildatum en wordt gebruikt als grondslag voor diverse belastingen, waaronder de OZB en de vennootschapsbelasting. Voor commercieel vastgoed geldt de WOZ-waarde ook als bodemwaarde voor fiscale afschrijving.